Schellen-Ursli, een klein Engadiner boerenjongetje, woont met zijn ouders in het bergdorpje Guarda. Eén dag voor de jaarlijkse optocht, de Chalandamarz, gaat hij samen met de andere jongens van het dorp naar oom Gian, die ieder van hen een grote koeienbel geeft, de ene nog mooier dan de andere. Hiermee moeten de jongens door het dorp lopen en veel lawaai maken om zo de boze geesten van de winter te verdrijven en het voorjaar in te luiden. Als Ursli eindelijk aan de beurt is, is er nog maar één bel over. Op zich is dat nog niet zo erg, ware het niet dat dit een heel klein belletje is, het kleinste van allemaal! Alle jongens lachen Ursli uit, die bittere tranen huilt.
Maar ineens komt hij op een idee. Vastbesloten baant hij zich een weg door de diepe sneeuw naar de alpenhut van zijn familie. Want daar hangt een héle grote koeienbel, die hij voor de optocht wil gaan halen....
De Bündner schilder Alois Carigiet is wereldberoemd geworden door zijn illustraties in het kinderboek 'Schellen-Ursli', dat in 1945 uitkwam. Carigiet is geboren in Trun, waar een museum aan hem gewijd is.
Permanente tentoonstelling Alois Carigiet in het Museum Cuort Ligia Grischa.
In het Ober- en Unterengadin, in het Münsterdal, in het Bergell (Calendimarzo), in het Puschlav (Puppocc da marz) en in Oberhalbstein wordt nog altijd vastgehouden aan een oeroud gebruik: de Chalandamarz. Op 1 maart verwelkomt de bont gekostumeerde schooljeugd het betere jaargetijde met koeienbellen en zweepslagen. Zo worden de winterse geesten verjaagd en het voorjaar binnengehaald. Dit gebruik, dat waarschijnlijk teruggaat tot de antieke oudheid, is het best bewaard gebleven in het Engadin. In vele dorpen is er 's ochtends en soms ook 's middags een optocht, waarbij zes jongens een versierde slee voorttrekken met daarin gekostumeerde, bellenzwaaiende winterverdrijvers. Bij sommige huizen wordt gestopt en gezongen en krijgen de kinderen cadeautjes en snoep.